Groningen (boe). 15 Jahre ist es her, dass Niederlande-Fans meinten, ihre Sprache würde jetzt zumindest im Fußball Weltsprache werden. Das Oranje-Team um Gullit, Van Basten und Rijkaard hatte gerade in Deutschland die Fußball-Europameisterschaft gewonnen. Es kam anders. Franz Beckenbauer weigerte sich immer noch, Gullit richtig auszusprechen, sagte nicht chöllit, sondern Buchstabe für Buchstabe Gullit; Koeman war Koomann, nicht Kumann.
Jetzt belegt eine wissenschaftliche Untersuchung: Niederländisch wird als Weltsprache immer populärer. Weltweit wird an 230 Universitäten in 44 Ländern Niederländisch gelehrt; vor einem Vierteljahrhundert war das nur an 165 Hochschulen in 26 Ländern der Welt möglich. Noch beeindruckender die Zahl der Niederländisch-Lehrer. 1978 waren es 350, heute sind es 700 Dozenten. Diese Fakten publizierte jetzt die Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN, Internationale Vereinigung für Niederlandistik).
Sprecherin Marja Kristel: „Das ist sehr respektabel für eine relativ kleine Sprache, die nur durch eine begrenzte Zahl von Weltbürgern gesprochen wird.“ Niederländisch ist für 21 Millionen Menschen auf dieser Welt die Muttersprache (Niederlande, Belgien, Antillen, Südafrika) und steht auf Platz 34 der Weltrangliste der Sprachen. Das ist aber nur eine Seite. Ökonomisch und kulturell gehört Niederländisch zu den Top-20-Sprachen auf diesem Erdball, glaubt die Vereinigung mit Sitz in Groningen. Marja Kristel: „Ökonomisch, kulturell und historisch hat Niederländisch weltweit seine Bedeutung.“ Viele Niederländisch-Studenten würden Übersetzer oder Journalist, fänden eine Beschäftigung im Tourismus oder bei niederländischen Betrieben in ihrem Mutterland.
Die Anfangslektionen des Niederländisch-Buches
Ha, Hollands? - Nee, Nederlands!
von der Oldenburger Autorengruppe sollen ein wenig neugierig machen.
Ha, Hollands? - Nee, Nederlands!
Jack Blokker, Ulla Blokker, Angelika VD Kooi, Jan Lindemann, Roy De Meij, Margrit Meiners, Ruud Witte, Mevi Verlag
Deel 1
Les 1 Dag Allemaal
1.Begroeting (Begrüssung)
Meneer Blek: Goedemorgen, mevrouw Dekker
Mevrouw Dekker: Goedemorgen, meneer Blek
Meneer Blek: Goedemiddag, mevrouw Dekker
Mevrouw Dekker: Goedemiddag, meneer Blek
Meneer Blek: Goedeavond, mevrouw Dekker
Mevrouw Blek: Goedeavond, meneer Blek
2.Goedeavond, Mevrouw/Meneer
A:
Goedeavond Mevrouw/Meneer
Ik ben _______
Wie bent u?
B:
Goedeavond Mevrouw/Meneer
Mij naam is _________
Goedeavond Mevrouw/Meneer
Ik ben _________
Wie bent u?
C:
Goedeavond Mevrouw _______
Hoe gaat het met u?
Goedeavond Mevrouw _________
Dank u met mij gaat het goed.
Hoe gaat het met u?
Dank u met mij gaat het ook goed.
D:
Jan: Hallo Tineke
Hoe gaat het met je?
Tineke:Dank je. Met mij gaat het goed.
Hoe gaat het met jou?
3. Dit is …… Dat is
Tineke Blek Meneer Blek
Dit is Tineke Blek. Dat is meneer Blek
Zij is de dochter van meneer Blek Hij is de vader van Tineke
Mevrouw Dekker Jan Dekker
Dit is mevrouw Dekker Dat is Jan Dekker
Zij is de moeder van Jan Hij is dezoon van mevrouw Dekker
4. Vul in (ergänze)
1.Meneer Blek is de __________ van Tineke
2.Dit _________ Tineke.
3.________ is de dochter van meneer Blek.
4.________ is Jan.
5.________ is de zoon van mevrouw Dekker.
6.Mevrouw Dekker is de _______ van Jan.
7.Jan is de ________ van mevrouw Dekker.
8.Goedemorgen, meneer Bleg! Ik _______mevrouw Dekker.
9._________ is Tineke.
10.Zij is de _________ van meneer Blek.
11._______, mevrouw Dekker! _________ gaat het met u?
12.Dank _______, meneer Blek!Met mij gaat het goed.
5. Wij gooien met dobbelstenen
(wir würfeln)
Ieder neem een dobbelsteen
(jeder nimmt einen Würfel)
6.Wij tellen (Wir zählen)
zeven-7
acht-8
negen-9
tien-10
elf-11
twaalf-12
7.Wij gooien verder (Wir würfeln weiter)
Iedere groep neemt twee dobbelsteenen.
(Jede Gruppe nimmt zwei Würfel)
Iedereen gooit een keer en telt
(Jeder würfelt einmal und zählt)
Voorbelden (Beispiele)
3 + 4 = 7
drie plus vier is zeven
6 + 6 = 12
ses plus ses is twaalf
8. Terugtellen (Zurückzählen)
Jeder hat 12 Punkte. Jeder wirft einmal und zieht diese Punktzahl
Von 12 ab.
Ziel ist es möglichst wenig Punkte zu haben
Also:
12 - 10 = 2
twaalf min tien is twee
12 - 12 = 0
twaalf min twaalf is nul
9. Maak zinnen (bildet Sätze)
Hoe naam goed
Meneer mij
U Met Blek
Het is_____het gaat
Mijn goedeavond
U gaat met
1.______________________
2.______________________
3.______________________
4.______________________
5.______________________
10.Hoeveel (Wieviel) ?
Voorbeeld
Dit zijn drie sneeuwmannen
Dat zijn _____ ballen
Dat zijn ______
Les 2 NAAR DE BANK
1.De bank
Jan Dekker: Heb jij nog geld?
Mevrouw Dekker: Ik heb geen guldens meer, maar wel honderd mark.
Jan Dekker: Dan zoeken wij u een bank.
Mevrouw Dekker: Ja, daar kunnen we het geld wisselen.
Jan Dekker: Dag, meneer. Waar is een bank?
Meneer: Daar heft u een bank, meneer!
Mevrouw Dekker: Dank u wel ,meneer!
2.Wij tellen verder (Wir zählen weiter)
dertien twintig
vertien eenentwintig
vijftien tweeéntwinig
zestien drieeéntwintig
zeventien vierentwintig
achttien vijfentwintig
negentien
3. Lees voor (Lies vor)
Mevrouw Dekker heeft nog honderd mark.
Mevrouw Dekker en zoon Jan zoeken een bank.
Daar kunnen ze het geld wisselen.
Jan vragt een meneer, waar een bank is.
Daar is een bank.
Zij zijn in de bank en wisselen het geld.
Nu hebben zij Nederlands geld.
4.Beantwoord de vragen (Beantworte die Fragen)
1.Wat heeft mevrouw Dekker?
2.Wat zoeken mevrouw Dekker en Jan?
3.Wat vraagt Jan?
4.Wat doen zij in de bank?
5.Wat hebben ze nu?
5.Nederlandse Bankbiljetten (Niederländische Banknoten)
Tien gulden zijn blauw.
De Nederlanders zeggen ook : een briefje van tien of een tientje.
Een briefje van vijfentwintig is rood.
Een briefje van vijftig is geel .
Een briefje van honderd is bruin.
Een briefje van tweehonderd vijftig is paars.( )
Een briefje van duizend is groen.
6.Nederlandse munten
5 C stuiver
10 C dubbelt je
25 C kwart je
1 G gulden
2 ? G rijksdaalder
5 G vijf je
7. Hebben (Haben) Zijn (Sein)
Ik
Jij
Hij
Zij
Het
Wij
Jullie
Zij
u
Heb
Heb jij?
Hebt
Heeft
heeft
heeft
hebben
hebben
hebben
heeft
Ich habe
Hast du?
Du hast
Er hat
Sie hat
Es hat
Wir haben
Ihr habt
Sie haben
Sie haben
Ik
Jij
Hij
Zij
Het
Wij
Jullie
Zij
u
Ben
Ben jij?
Bent
Is
Is
Is
Zijn
Zijn
Zijn
bent
Ich bin
Bist du?
Du bist
Er ist
Sie ist
Es ist
Wir sind
Ihr seid
Sie sind
Sie sind
Statt betont jij zij wij
Sagt und schreibt man oft unbetont je ze we
Man kann statt „u heeft“ auch die ältere form „u hebt“verwenden.
8.Vul in „Hebben“ of „Zijn”
1.Mevrouw Dekker _____ in de bank.
2.Jan ______ nog honderd mark.
3.Waar ______meneer Blek en Tineke?
4.Mevrouw Dekker ______ een zoon.
5.________ jij nog geld?
6.________ u nog geld?
7.________ jij Tinek Blek?
8.________ u mevrouw Blek?
9.Wij ________ nog negentien mark.
10.Ik ________ de vader van Tineke.
11.Ik ________ een kwartje en een dubbeltje.
12. Jij ________ een stuiver.
13.Jullie ________ in de bank.
14.Mevrouw Dekker en Jan ________ nu nederlands geld.
9.Wij tellen verder
zesentwintig
zevenentwintig
achtentwintig
negenentwintig
dertig
veertig
drieénveertig
vijftig
eenenvijftig
zestig
tweeeézestig
zeventig
tachtig
negentig
honderd
honderd een
honderd twee
honderd drie
honderd vier
honderd vijf
honderd zes
honderd zeven
honderd acht
honderd negen
10. In de bank
Mevrouw Dekker: Dag, meneer.Waar kann ik met en cheque geld opnemen?
Meneer: Daarvoor moet u naar loket vijf, mevrouw.
Mevrouw Dekker: Kunt u mij zeggen waar dat loket is meneer?
Meneer: Ja zeker ,mevrouw. Aan de linkerkant achter de grote plant.
Mevrouw Dekker: Dank u wel, meneer !
Meneer: Graag gedaan ,mevrouw!
11.Wij tellen verder
honderd
tweehonderd
driehonderd
vierhonderd
vijfhonderd
zeshonderd
zevenhonderd
achthonderd
negenhonderd
duizend
duizend, elfhonderd, twaalfhonderd, dertienhonderd, enz...
1111 wordt dus :elfhonderd elf
9999 wordt dus negenennegentighonderd negenennegentig.
12. Noem de getallen (Nenne die Zahlen)
33 344 89 77 125 888 1253 12 681 999 3491 8
Partneroefening
Noem een getal. Je buurman/buurvrouw schrijft het op.Daarnar wisselen
.Ga zo verder.
13. Aan het loket (Am Bankschalter)
Bankbediende: Goedemorgen, mevrouw!
Mevrouw Dekker: Meneer ik will graag vierhonderd gulden opnemen.
Bankbediende: Dat kann, mevrouw. Maar u moet dan wel twee cheques uitschrijven omdat het hoogste bedrag per cheque driehonderd gulden is.Voor hogere bedragen moet u naar de bankautomat.Daar kann u zelfs 600 gulden opnemen.
Mevrouw Dekker: Dat is niet nodig. Ik schrijf alleen maar een cheque
over driehonderd gulden uit.
Bankbediende: Goed, mevrouw.Hoe wilt u het geld?
Mevrouw Dekker: ik will graag twee briefjesvan honderd, een briefje van vijftig, een van vijfentwintig, twee van tien en een vijfje.
Bankbediende: Alstublieft, mevrouw.
Mevrouw Dekker: Dank u wel, meneer!Nu will ik nog graag munten voor het briefje van tien.
Bankbediende: Dat kann, mevrouw!Hier zijn nog een vijfje, een rijksdaler, twee guldens en twee kwartjes.
Mevrouw Dekker: Dank u wel, meneer en tot ziens.
Bankbediende: Graag gedaan, mevrouw.Tot ziens
14. Bankautomaat
1.Voer uw pas in even geduld a.u.b.
2.Nederlands ----------- Duits
Engels ----------- Frans
3.Wilt u een transactiebon? Ja -------- neen
4.Toets uw pincode in en sluit invoer af met GOED toets
5.50f ----------- 200f
100f --------- 300f
500f
150f --------- ander bedrag
6.even geduld a.u.b.
7.pas uitnemen.
uw geld uitnemen.
wacht op uw transactiebon.
8.Dank voor uw bezoek.
Les 3 Boodschappen doen (Einkäufe machen)
1. In de supermarkt
Verkoopster: kan ik u helpen?
Duitse toeriste: Graag, waar vind ik yoghurt en „Pudding“?
Hoe noemt men „Pudding“ in het nederlands?
Verkoopster: „Vla“ meinen sie?Kommen Sie bitte mit.
Hier steht der Yoghurt, und da heben wir „vla“.
Duitse toeriste: Wilt u alstubieft Nederlands blijvenspreken?
Ik probeer de taal te leren.
Verkoopster: Oh, wat leuk!Dan will ik graag Nederlands met u spreken.
Duitse toeriste: Dat is leuk. Ik will graag nog 2 pakjes boter, 1 pakje margarine, 1 pond kaas, 10 eieren en hoe heet dit en hoe heet dat?.
Verkoopster: Dit is een pak melk en dat is een blik sardientjes.Verder nog iets, mevrouw?
Duitse toeriste: Kunt u mij ook nog zeggen, hoe deze artikelen heten?
Verkoopster: Dit is haagelslag en dat is pindakaas.
Duitse toeriste: Geeft u mij dan alstublieft ook een pot pindakaas en een pakje haagelslag.Dat is alles.Hoeveel moet ik betalen?
Verkoopster: Dat is precies vijftien gulden, mevrouw.
Duitse toeriste: Alstublieft, mevrouw.En haartelijk bedankt voor uw help.
Ik heb veel nieuwe dingen geleerd.
2. Vragen maken
Je buurman antwordt.
1.Waar is de duitse toeriste?
2.Wat wil de duitse toeriste ______________ ?
3.Wat zoekt __________________ ?
4.Wat ___________________ ?
5.____________________ ?
3.Naar de markt
Mevrouw Kroeze gaat naar de markt.
Daar kun je altijd groente en fruit vers kopen.
De verkoopster kann haar vandaag lekkere snijbonen en rode kool aanbevelen.
Maar mevrouw Kroeze will liever iets anders.
Ze koopt twee bloemkolen, een kilo spinazie, twee kilo aardappels, een pond uien, een pond tomaten en een komkommer.
Maar nu heeft ze nog geen fruit.
Ze neemt nog een kilo appels, 10 manderijnen zonder pitten, een bakje aardbeien en een bakje bessen.
Dan will ze nog graag een bakje champignons, maar ze vindt de champignons te duur.
Ze heeft nu ook genoeg groente en fruit.
Mevrouw Koeze betaalt voor alles f 25,75. Ze heeft goedkop boodschappen gedaan.
4.Het meervroud (Die Mehrzahl)
Die Mehrzahl bildet man meistens durch anhängen von –EN-
De bank de banken
De munt de munten
Het ding de dingen
Wörter die auf –EL-, -EM-, -ER- oder –EN- enden, sowie Fremdwörter und Wörter die auf „(T)je enden, bekommen in der Mehrzahl in der Regel ein –S-.
De aardappel de aardappels
De dochter de dochters
De bezem de bezems
De gulden de guldens
De champignon de champignons
Het dubbeltje de dubbeltjes
Wenn ein langes a,e,o,uam ende einer Silbe steht, dann schreiben wir nur ein a,e,o,u.
De bloemkool de bloemkolen
De tomaat de tomaten
De peer de peren
Der Buchstabe, der nach einem kurzen a,e,i,o,u steht, verdoppelt dich in der Mehrzahl.
Het pak de pakken
De bes de bessen
Het blik de blikken
5.Geef het meervroud
De mevrouw
De stuiver
Do moeder
De vader
Het voorbeeld
Het pakje
De gulden
De kool
De snijboon
Het sardientje
De aardappel
De komkommer
De banaan
De pit
De ui
Het dubbeltje
De aardbei
De boodschaap
6.Maak een dialoog
Maak een dialoog naar aanleiding van de tekst „naar de markt“
7.De cent die geen cent maar waard is
Bediende: Dat is drie gulden achttien, meneer.!
Meneer Blek: Alstublieft, drie gulden dijfentwintig, mevrouw.
Bediende: Hier heeft u een stuiver terug.
Meneer Blek: Maar dat is twee cent te weinig!
Bediende: Nee, meneer.De cent hebben wij alleen nog op de papier.
Drie gulden achttien ronden we naar boven af en u betaalt drie gulden twintig .Drie gulden zeventien ronden we naar beneden af en u betaalt drie gulden vijftien.
Meneer Blek: Dank u wel voor de informatie, mevrouw!
8.Bij de slager
Slager: Goedemorgen, mevrouw!
Mevrouw Dekker: Goedemorgen, meneer.
Slager: Zegt u het maar, mevrouw?
Mevrouw Dekker: Heeft u vandaag speziale aanbiedingen?
Slager: Ja zeker, mevrouw! Hier hangt de lijst. U ziet, gehakt en ham zijn in de aanbieding.
Mevrouw Dekker: Geeft u maar een kilo gehakt.
Slager: Graag, mevrouw.Wilt u anders nog iets?
Mevrouw Dekker:Ja, 100 gram ham alstublieft.
Slager:Mag het iets meer dan een ons zijn?
Mevrouw Dekker:Een ons???
Slager: Ja, dat zeggen we vaak voor 100 gram.
Mevrouw Dekker: Ja, dat mag.
Slager: Zo, mevrouw! Dat wordt dan samen f 10,45.
Mevrouw Dekker: Wilt u het geld liever gepast of maakt het u niet uit?
Slager: Als het kan liever gepast, mevrouw.
Mevrouw Dekker betaalt met ee briefje van f 10,00, 4 dubbeltjes en 1 stuiver.
10. Maak een dialoog
Je gaat nu zelf naar de markt en koopt groente, fruit en vlees.
Maak eerst een boodschappenlijst en dan de dialoog.
11.Roepen(Rufen)
Ich rufe
Rufst du?
Du rufst
Er ruft
Sie ruft
Es ruft
Wir rufen
Ihr ruft
Sie rufen
Sie rufen
Ik roep
Roep jij?
Jij roept
Hij roept
Zij roept
Het roept
Wij reopen
Jullie roepen
Zij reopen
U roept
12.Vul in:
1.De lijst _________ bik de slager.
2.Mevrouw Dekker _________ het geld in de bank.
3.Ik _______ een bank.
4.Wij _______ Tineke en Jan.
5.________ jij in de supermarkt.
6.Voor DM 100,-- _______ jullie f 112,--.
7.U ______ in de portemonnee
13.Vertaal de volgende zinnen
1.Mir geht es gut
2.Jan ist der Sohn von Herrn Blek.
3.Ich will Geld wechseln
4.Wo ist eine Bank
5.Tineke möchte gerne niederländisch sprechen.
6.Können sie mir etwas empfehlen?
7.Vater muss 10 Gulden bezahlen.
8.Geben sie mir bitte 100 gramm Schinken.
9.Sonst noch etwas?
10.Auf dem Markt kannst du Obst und Gemüse frisch kaufen.
Les 4 Smakelijk eten
In de snackbar
Jan: Barbara, ga je meenaar de snackbar ik heb honger
Barbara: Ja, grag !ik heb ook trek!
Bediende: Zeggen jullie het maar!
Jan: Ik will graag een loempia, twee kroketten en een 7-up, alstublieft.
Barbara: En ik een frikandel, patat met mayonaise en een chocomel, b
Bediende: Dat is samen f 14,75 .
Jan: Alstublieft, een briefje van tien en een vijfje.
Bediende: Dank je wel, en een kwartje terug. Eet smakelijk!
Barbara:Jan, wat is dat nou?Ik heb toch een frikandel besteld, maar dat is toch een soort braadworst!
Jan: Dat klopt, Barbara. Als je in Nederland een „Frikadelle“ wilt, moet je een gehaktbal bestellen!
Barbara: Oh, al weer iets nieuws geleerd. Dat weet ik dan voor de volgende keer.
2.Gaan en staan
Ik ga
Ik sta
Ga jij ?
Sta jij?
Jij gaat
Jij staat
Hij gaat
hij staat
Zij gaat
Zij staat
Het gaat
Het staat
Wij gaan
Wij staan
Jullie gaan
Jullie staan
Zij gaan
Zij staan
U gaat
U staat
3. Vul in : Gaan og staan
1.Tineke ______ naar de markt.
2.Vader ______ voor het loket.
3._____ naar de slager.
4.Wij ______ naar bed.
5.U ______ hier al een half uur.
6.Ik ______ achter de plant.
7._______ u ook mee?
8.Jullie ______ naast vader.
9. Zij ______ niet zo graag naar de supermarkt.
10.______ jij lang voor de bank.
4.In het restaurant
De ober begroet Melanie en Roy en vraagt waar ze willen zitten.Ze willen graag een tafel bij het raam. De ober brengt ze naar een tafel voor twee personen die nog vrij is. Hij vraag de jas van Melanie en hangt die aan de kapstok bij de deur.Melanie will als aperitief een sherry. Roy bestelt een droge sherry voor zijn vrouw en neemt zelf niets.
De ober brengt de sherry en een menukaart. Hij vraag of ze ook de wijnkaart willen. Roy zegt dat ze niet van wijn houden. Melanie bestelt biefstuk met gebakken aarappeltjes en een gemengde salade. Ze weet nog niet wat voor soep ze vooraf will: groentesoep, tomatensoep of soep van de dag.
De ober zegt dat de soep van dag kippensoep is.
Ze nehmen allebei kippensoep en Roy bestelt een schnitzel en ook gebakken aardappeltjes met gemengde salade. Als ze klaar zijn met
Eten, nehmen ze nog ijs toe.
5.Maak vragen en antwoorden
gebruik daarbij de volgende woorden:
de ober een tafel de jas de kapstok een sherry
zijn vrouw een menukaart de wijnkaart
biefstuk met gebakken aardappeltjes en een gemengde salade
kippensoep een schnitzel ijs
6.Eten en halen
Ik eet
Ik haal
Eet jij?
Haal jij?
Jij eet
Jij haalt
Hij eet
Hij haalt
Zij eet
Zij haalt
Het eet
Het haalt
Wij eten
Wij halen
Jullie eten
Jullie halen
Zij eten
Zij halen
U haalt
U eet
Wenn am Ende einer Silbe ein LANGES „a,e,o,u“ steht, dann schreiben wir nur EIN „a,e,o,u“
Also: ha-len, e-ten, ko-pen, hu-ren.
Folgt am Ende einer Silbe ein „l“, „t“ USW. dann VERDOPPELT sich „a,e,o,u“.
Also: ik haal, ik eet, ik koop, ik huur
7.Vul de juiste vorm in
1.Wij (eten) in een snackbar.
2.Hij (eten) bij de chinees.
3.Jullei (kopen) een kroket.
4.De slager (verkopen) vlees.
5.Hij (verkopen) fruit op de markt.
6.Meneer Blek (betalen) met nederlands geld.
7.Mevrouw Dekker en jan (betalen) met een briefje van honderd.
8.(Vergeten) jij de portmonnee niet?
9.Zij (vergeten) de melk mee te nemen.
10.u (lopen) naar de bank.
8.Bij de chinees
Meneer Blek: Kom Tineke. We gaan vanavond bij de chinees eten. Dat is lekker en niet duur!
Bediende: Goedenavond! Wilt u hier eten of neemt u het eten mee?
Meneer Blek: Mijn dochter en ik willen hier eten.
Bediende: Gaat u zitten, dan breng ik u de menukaart.
Meneer Blek: Tineke, wat wil jij drinken?
Tineke: Oh, een Spa rood, pa.
Bediende: Alstublieft, de menukaart. Wilt u iets drinken?
Meneer Blek: Ja, mijn dochter een Spa rood en ik een pilsje, alstublieft, want ik heb dorst.
Tineke: Wat eten we, pa? Rijsttafel, of stellen we zelf een menu samen?
Meneer Blek: We stellen zelf een menu samen. Wat denk je van een loempia en dan nasi of bami?
Tineke: Ja, en ik lust wel een haaienvinnensoep vooraf!
Meneer Blek: Tineke, moet ik om stoekjes vragen of eet je met lepel en vork?
Tineke: Natuurlijk met lepel en vork! Met stokjes eten is toch veel te moeilijk!
9.Zet in het meervoud
1.Meneer Blek en Tineke eten met (stokje)
2.Mevrouw Dekker roept:„Ik will graag 1 kilo (appel) en 200 gram (champignon)!“
3.De (aardappel) smaken vandaag lekker, mevrouw Blokker.
4.“Ik tel mijn (cent)”, zegt Opa tegen Jan.
5.Welke (aanbieding) staan vandaag in de krant?
6.Oma maakt twee (lijstje) met boedschappen.
7.Ik will graag dit bakje met (aardbei).
8.Op de (tafel) liggen (lepel) en (vork).
9.Moeder vraagt
10.De (dochter) van oom Rudolf (is) op vakantie in Nederland.
10.Partneroefening
De een leest een woord uit de linkerkolom voor en wijst het op de tekening aan. Zijn/haar partner haerhaalt het woord en vult het met een woord uit de rechterkolom aan.
Een kopje koffie
Leeg eten
De tafel
Zitten
De ober
Snijden
Een glas bier
Lezen
De vork
Roepen
De menukaart
Eten
Met het mes
Leeg schenken
Met de lepel
Dekken
Op de stoel
Drinken
De karaf
Bestellen
Het bord
Neer leggen
11.Maak een dialoog
-Vier personen komen in het restaurant.
-Ze willen iets drinken voor het eten.
-drie personen bestellen soep.
-ze bestellen vlees, aardappels, snijbonen, bloemkool of gemengde salade en als toetje ijs of vla.
12.Hutspot een nederlands gerecht
©egon.boesten at holland-news.de
